Een tweede argument waarom het gelijkheidsbeginsel van 'Didam', naar wij denken, niet van toepassing

woensdag 29 juni 2022 Geschreven door Peter Overwater en Arjan van Delden
 
Inleiding
In onze eerdere blog inzake het Didam arrest van 15 juni 2022 hebben wij beargumenteerd waarom wij denken dat het arrest niet in de weg staat aan het door overheden één op één aan elkaar verkopen van onroerende zaken. Kort samengevat omdat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (i.c. het gelijkheidsbeginsel) zien op de rechtsverhouding tussen de overheid en de burger en niet op de rechtsverhouding tussen overheden onderling.
 
Geen mededingingsruimte vereist
Mede naar aanleiding van de suggesties ter verbetering in de vorm van commentaren op onze blog op LinkedIn voegen wij nog een argument toe: dat vanwege het ontbreken van een markt als bedoeld in het arrest, geen mededingingsruimte is vereist.
Dat beargumenteren wij als volgt. Overheidslichamen oefenen hun taken uit in het algemeen belang. Een overheidslichaam koopt een onroerende zaak dus niet om actief te zijn op de markt maar om het algemeen belang te dienen. Als bijvoorbeeld een provincie een stuk grond verkoopt aan een gemeente gelegen in een ontwikkelingslocatie is dat om de regiefunctie (publieke rol) van de gemeente te versterken, niet om de gemeente er geld mee te laten verdienen.
 
De Hoge Raad overweegt in het Didam arrest dat het gelijkheidsbeginsel bij verkoop van een onroerende zaak door een overheidslichaam van toepassing is omdat het gelijkheidsbeginsel strekt tot het bieden van mededingingsruimte. Wanneer geen sprake is van een overeenkomst met een reguliere marktpartij als koper, maar in plaats daarvan met een overheidslichaam dat met de aankoop een algemeen belang voor ogen staat, brengt het karakter van de overeenkomst ons inziens met zich dat de betreffende onroerende zaak niet op de reguliere 'markt' wordt gebracht. Er is dan geen sprake van marktwerking en de daarbij vereiste behorende mededingingsruimte waar de Hoge Raad op doelt.
 
Conclusie
Wij denken dus dat het overheden vrij staat één op één aan elkaar te verkopen niet alleen omdat het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing is op het privaatrechtelijk rechtsverkeer tussen overheden maar ook omdat er dan sprake is van een transactie in het publieke belang, waarvoor geen mededingingsruimte hoeft te worden gegeven.